Klein

Soms als alles te groot lijkt,
buig ik diep door mijn knieƫn
en spring
ik door de dampkring.
Suis door de ruimte.

Weg van de aarde, weg van de zon,
voorbij Neptunus kijk ik een laatste keer om.
Trek verder langs nevels en pulsars,
rode reuzen en witte dwergen.
Tot ik via de laatste sterrenstelsels
onze Melkweg verlaat.

Aan beide zijden is nu lichtjaren niets
In een tel verstrijkt een eeuwigheid
Ik voel hoe mijn naam al letters verliest

Ik zweef
begeef me in het diepste zwart
waar God nog een leerling was
en aanschouw de wording van wetten en waarheid

Ik dreig op te lossen op te gaan
maar dan krijgt een zwart gat grip op mij.
Met de kracht van werelden word ik samengedrukt.
Via een netwerk van wormgaten keer ik terug.
Terug op aarde,
onder de zon,
op het moment dat ik sprong.
Zo klein als ik kan zijn.

Dit bericht is geplaatst in Gedichten, Schrijfgroep met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *